HOE FUNCTIONEERD EEN MOTOR OP AARDGAS

Rijden in een auto op aardgas verschilt niet veel van rijden op een conventionele brandstof. Wel maakt de motor van een aardgasvoertuig minder herrie dan een dieselmotor en trilt ook aanzienlijk minder. De voornaamste verschillen tussen een aardgasmotor en een reguliere automotor zitten in het brandstofsysteem.

 De druk van aardgas wordt tijdens het tanken verhoogd tot circa 200 atmosfeer (bar). Dit gecomprimeerde aardgas (Compressed Natural Gas, CNG) wordt in het voertuig opgeslagen in cilinders, die volledig weggewerkt zijn in de carosserie. Als het voertuig brandstof nodig heeft, gaat het aardgas vanuit de cilinders door hogedrukleidingen naar een instrument, de 'reduceer'. Deze reduceer is veelal geplaatst onder de motorkap. Als de motor voorzien is van een carburateur, vermindert dit reduceer de druk van het gas tot ongeveer de druk van de buitenlucht. Het gas wordt vervolgens via een mengkamer met de door de motor aangezogen lucht gemengd en in de motor gevoerd. Heeft de motor een brandstofinjectie, dan brengt het reduceer de druk van het gas terug tot circa 6 bar alvorens het in de motor wordt geïnjecteerd. In beide gevallen stroomt het gas in de verbrandingskamer, waar het wordt ontstoken om het benodigde vermogen voor het voertuig te ontwikkelen. Speciale magneetkleppen zorgen ervoor dat het gas niet in de motor kan stromen als deze uitstaat. Bij voertuigen met een bi-fuelmotor is er een brandstofkeuzeschakelaar, waarmee voor de gewenste brandstof kan worden gekozen. In een aantal gevallen gebeurt dit automatisch als er geen gas meer in de tank zit.